Curriculum

Minimumdoelen

Kies een doel om de bijhorende woordkaarten en kenniskapstok te openen.

🌍

Aardrijkskunde

🏺

Geschiedenis

πŸ”¬

Wetenschap en techniek

🎨

Muzische vorming

πŸ“–

Nederlands β€” Lezen

Lezen

1.1.1πŸ“–
Vlot en vloeiend lezen
De kleuters kunnen rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen verdelen (fonologisch bewustzijn).
het rijmrijmenhet rijmwoordhet woordde klankgroep+6
11 woordjes→
1.1.2πŸ“–
Vlot en vloeiend lezen
De kleuters kunnen een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities herkennen (fonemisch bewustzijn).
de klankhet woordvooraanachteraanin het midden+4
9 woordjes→
1.1.3πŸ“–
Vlot en vloeiend lezen
De kleuters kunnen een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn).
de klankhet woordhakkenplakkende letter+2
7 woordjes→
1.1.4πŸ“–
Vlot en vloeiend lezen
De kleuters kunnen minimum 15 letters herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling).
de letterde klankde klinkerde medeklinkerhet alfabet+4
9 woordjes→
1.1.5πŸ“–
Tekstbegrip
De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.
de boodschaphet beeldhet pictogramhet tekenhet logo+2
7 woordjes→
1.1.6πŸ“–
Tekstbegrip
De kleuters kunnen expliciete informatie over de situatie, de gevoelens, de personages en perspectiefname uit voorgelezen teksten halen.
het personagehet gevoelhet verhaalde tekstvoorlezen+9
14 woordjes→
1.1.7πŸ“–
Tekstbegrip
De kleuters kunnen expliciete verbanden binnen een tekst verwoorden: oorzaak, gevolg, probleem en oplossing.
de oorzaakhet gevolghet probleemde oplossingwaarom+4
9 woordjes→
1.1.8πŸ“–
Tekstbegrip
De kleuters kunnen verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
de tekstwetenherkennenhetzelfdeanders+2
7 woordjes→
1.1.9πŸ“–
Tekstbegrip
De kleuters kunnen de belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn in eigen woorden navertellen.
het verhaalvertellennavertellende gebeurtenishet begin+6
11 woordjes→
1.1.10πŸ“–
Tekstsoorten en tekstconventies
De kleuters kunnen tonen dat ze tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.
de teksthet beeldlezende leesrichtingvan links naar rechts+6
11 woordjes→
1.1.11πŸ“–
Tekstsoorten en tekstconventies
De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
de teksthet doelonthoudengenietenhet boek+4
9 woordjes→
πŸ”’

Wiskunde

Getallenkennis

2.1.1πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen de telrij van 0 tot en met 20 (akoestisch tellen).
tellende telrijhet getalaftellenverder tellen+2
7 woordjes→
2.1.2πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen natuurlijke getallen als aantal en als rangorde.
het getalhet aantalde rangordehoeveelde hoeveelste+2
7 woordjes→
2.1.3πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen de rangtelwoorden van eerste tot en met tiende.
eerstetweedederdevierdevijfde+9
14 woordjes→
2.1.4πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen de één-op-één relatie tussen een aantal objecten en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen).
tellenhet aantalhet telwoordaanwijzenéén voor één+2
7 woordjes→
2.1.5πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen de irrelevantie van de volgorde van objecten bij het bepalen van een aantal.
tellende volgordehet aantalevenveelopnieuw tellen+2
7 woordjes→
2.1.6πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen het principe van conservatie (een aantal is onafhankelijk van tijd en ruimte).
het aantalevenveelverschuivendicht bij elkaarver uit elkaar+1
6 woordjes→
2.1.7πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kennen begrippen over hoeveelheid en positie in de telrij.
evenveelniet-evenveelveelweiniggelijk+26
31 woordjes→
2.1.8πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 10 vergelijken, sorteren, tellen, koppelen aan telwoord en getalnotatie, en ordenen.
vergelijkensorterentellenhet telwoordhet getal+5
10 woordjes→
2.1.9πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 5 herkennen zonder te tellen (subiteren).
het aantalherkennende dobbelsteende stipin één keer zien+1
6 woordjes→
2.1.10πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kunnen met behulp van de telrij doortellen, terugtellen en 1 meer/1 minder bepalen tot en met 10.
tellendoortellenterugtellenmeerminder+6
11 woordjes→
2.1.11πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kunnen een rangorde tot en met 10 aangeven.
de rangordeeerstelaatstede rijde plaats+2
7 woordjes→
2.1.12πŸ”’
Natuurlijke getallen
De kleuters kunnen getallen (in cijfers) tot en met 10 lezen.
het getalhet cijferlezende getallenlijnhet huisnummer+2
7 woordjes→

Meten en metend rekenen

2.3.1πŸ”’
Overkoepelende meetinzichten en vaardigheden
De kleuters kennen meetinzichten: we meten grootheden van objecten, en gaan na hoe vaak de maateenheid in de te meten grootheid gaat.
metende lengtede inhoudde massade maateenheid+4
9 woordjes→
2.3.2πŸ”’
Overkoepelende meetinzichten en vaardigheden
De kleuters kennen het principe van conservatie: bepaalde handelingen veranderen niets aan lengte, inhoud en massa.
de lengtede inhoudde massaveranderenoprollen+4
9 woordjes→
2.3.3πŸ”’
Overkoepelende meetinzichten en vaardigheden
De kleuters kennen het principe van samenstellen.
sameneven langvullensamenvoegende emmer+3
8 woordjes→
2.3.4πŸ”’
Lengte, oppervlakte, inhoud/volume
De kleuters kennen begrippen (stellende, vergrotende en overtreffende trap) rond lengte, oppervlakte en inhoud.
langkorthooglaagver+43
48 woordjes→
2.3.5πŸ”’
Lengte, oppervlakte, inhoud/volume
De kleuters kunnen lengte, oppervlakte en inhoud/volume kwalitatief vergelijken, (on)gelijk maken, ordenen en samenstellen.
vergelijkengelijk makenordenensamenstellende lengte+6
11 woordjes→
2.3.6πŸ”’
Lengte, oppervlakte, inhoud/volume
De kleuters kunnen lengte en inhoud kwantitatief meten met natuurlijke maten en meetinstrumenten, en metingen tot en met 10 schematisch noteren.
metende maatnoterende stapde voet+5
10 woordjes→
2.3.7πŸ”’
Massa
De kleuters kennen begrippen rond massa (stellende, vergrotende en overtreffende trap).
zwaarlichteven zwaareven lichtzwaarder+7
12 woordjes→
2.3.8πŸ”’
Massa
De kleuters kunnen massa kwalitatief vergelijken, (on)gelijk maken, ordenen en samenstellen.
vergelijkengelijk makenordenenzwaarlicht+4
9 woordjes→
2.3.9πŸ”’
Massa
De kleuters kunnen massa kwantitatief meten met natuurlijke maten en een balans, en metingen tot en met 10 schematisch noteren.
metende balansnoterenhet zandzakjewegen+2
7 woordjes→
2.3.10πŸ”’
Geld
De kleuters kennen munten en biljetten om dingen te kopen.
de munthet biljetkopenhet geldde portemonnee+4
9 woordjes→
2.3.11πŸ”’
Geld
De kleuters kennen begrippen rond geld en kopen.
betalengevenkrijgenkopenruilen+11
16 woordjes→
2.3.12πŸ”’
Geld
De kleuters kunnen bij een object een prijs (tot en met 10 euro) schematisch noteren.
de prijsnoterende eurohet bolletjehet streepje+2
7 woordjes→
2.3.13πŸ”’
Geld
De kleuters kunnen (ronde) prijzen (tot en met 10 euro) lezen.
de prijslezende eurohet prijskaartjehet getal+3
8 woordjes→
2.3.14πŸ”’
Geld
De kleuters kunnen betalen met muntstukken van 1 euro (tot en met 10 euro).
betalenhet muntstukde eurode kassaaftellen+2
7 woordjes→
2.3.15πŸ”’
Geld
De kleuters kunnen 1 of meer objecten kopen met een totaalbedrag tot en met 10 euro.
kopensamende eurobetalenhet boodschappenlijstje+3
8 woordjes→
2.3.16πŸ”’
Tijdstip en tijdsduur
De kleuters kennen de dagen van de week.
maandagdinsdagwoensdagdonderdagvrijdag+8
13 woordjes→
2.3.17πŸ”’
Tijdstip en tijdsduur
De kleuters kennen begrippen rond tijdstip en tijdsduur.
eerdervroegerlatereerstdan+20
25 woordjes→
2.3.18πŸ”’
Tijdstip en tijdsduur
De kleuters kunnen zeggen welke dag het vandaag is, gisteren was en morgen zal zijn.
vandaaggisterenmorgende dagde kalender+4
9 woordjes→
2.3.19πŸ”’
Tijdstip en tijdsduur
De kleuters kunnen gebeurtenissen tijdens de dag chronologisch ordenen (seriΓ«ren).
eerstdandaarnalaatstordenen+6
11 woordjes→
2.3.20πŸ”’
Tijdstip en tijdsduur
De kleuters kunnen aftellen tussen nu en speciale gebeurtenissen binnen de periode van een week.
aftellende dagde weekde verjaardaghet feest+2
7 woordjes→
2.3.21πŸ”’
Tijdstip en tijdsduur
De kleuters kunnen de duur van een activiteit meten met een meetinstrument.
de tijdmetende zandloperde timerde klok+2
7 woordjes→

Meetkunde

2.4.1πŸ”’
Vormleer
De kleuters kennen begrippen rond punten, lijnen, hoeken, vlakke figuren, ruimtefiguren en patronen.
het puntde lijnrechtgebogenrond+16
21 woordjes→
2.4.2πŸ”’
Vormleer
De kleuters kunnen vanuit handelen meetkundige objecten (vlakke figuren en ruimtefiguren) herkennen, benoemen en sorteren.
herkennenbenoemensorterende vlakke figuurde ruimtefiguur+4
9 woordjes→
2.4.3πŸ”’
Vormleer
De kleuters kunnen vanuit handelen meetkundige objecten opdelen in en samenstellen uit andere meetkundige objecten.
opdelensamenstellende figuurde puzzelhet puzzelstuk+2
7 woordjes→
2.4.4πŸ”’
Vormleer
De kleuters kunnen patronen hanteren: rijen maken, herhalende patronen herkennen, (na)maken, verderzetten en opvullen, en de eenheid herkennen.
het patroonde rijherhalennamakenverderzetten+7
12 woordjes→
2.4.5πŸ”’
Plaatsbepaling
De kleuters kennen begrippen rond plaats en richting.
intussenuitbinnenbuiten+24
29 woordjes→
2.4.6πŸ”’
Plaatsbepaling
De kleuters kunnen zichzelf oriΓ«nteren in een ruimte op basis van positie, afstand en richting.
de plaatsde afstandde richtingde klasde weg+1
6 woordjes→
2.4.7πŸ”’
Plaatsbepaling
De kleuters kunnen personen en objecten situeren op basis van positie, afstand en richting ten opzichte van zichzelf en elkaar.
naastvoorachtertussende buur+3
8 woordjes→
2.4.8πŸ”’
Plaatsbepaling
De kleuters kunnen pictogrammen die onder meer een richting aanduiden lezen en gebruiken.
het pictogramde richtingde pijllinksrechts+3
8 woordjes→
2.4.9πŸ”’
Plaatsbepaling
De kleuters kunnen met de gepaste begrippen verwoorden wat ze zien vanuit een ander gezichtspunt door zich te verplaatsen.
kijkenziende kantde voorkantde achterkant+3
8 woordjes→
2.4.10πŸ”’
Meetkundige transformaties
De kleuters kennen begrippen rond verschuiven, draaien, spiegelen, vervormen en kanten van objecten.
verschuivendraaienspiegelenhet spiegelbeeldvervormen+10
15 woordjes→
2.4.11πŸ”’
Meetkundige transformaties
De kleuters kunnen spiegelbeelden ontdekken met een (geo)spiegel.
de spiegelhet spiegelbeeldhetzelfdeomgekeerdkijken
5 woordjes→
2.4.12πŸ”’
Meetkundige transformaties
De kleuters kunnen eenvoudige spiegelbeelden met materiaal leggen met behulp van een (geo)spiegel.
de spiegelhet spiegelbeeldleggenhet blokjenaleggen+2
7 woordjes→
2.4.13πŸ”’
Meetkundige transformaties
De kleuters kunnen constructies uitvoeren op basis van verbale instructies, voorschriften op foto's en op tekeningen.
bouwende fotode tekeninghet stappenplanhet bouwplan+4
9 woordjes→
2.4.14πŸ”’
Meetkundige relaties
De kleuters kennen de volgende begrippen: dezelfde vorm, even groot.
dezelfde vormeven groothetzelfdeandersvergelijken+1
6 woordjes→
2.4.15πŸ”’
Meetkundige relaties
De kleuters kunnen met concreet materiaal figuren identificeren die congruent zijn (gelijke vorm en grootte) of gelijkvormig zijn (gelijke vorm).
dezelfde vormeven grootgroterkleinerbij elkaar horen+2
7 woordjes→
2.4.16πŸ”’
Meetkundige relaties
De kleuters kunnen symmetrie in eenvoudige figuren herkennen.
gelijkde helftvouwende vouwlijnde vlinder+2
7 woordjes→
2.4.17πŸ”’
Logica en verzamelingen
De kleuters kennen de volgende begrippen: in, uit, binnen, buiten; als … dan …; en, of, niet.
inuitbinnenbuitenals … dan …+7
12 woordjes→
2.4.18πŸ”’
Logica en verzamelingen
De kleuters kunnen objecten sorteren op basis van een gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria.
sorterende kleurde vormde groottede soort+4
9 woordjes→
2.4.19πŸ”’
Logica en verzamelingen
De kleuters kunnen als … dan … uitspraken gebruiken.
alsdande regelhet spelmogen+1
6 woordjes→