Terug
Onderwijsdoelen
Kies een doel om de woordjes te zien
π
Aardrijkskunde
Topografie
4.1.1
π
Namen kennen
De kleuters kennen de naam van BelgiΓ«, een plaatselijke rivier en de Nijl.
BelgiΓ«
een plaatselijke rivier
de Nijl
3 woordjes β
4.1.2
π
Water, land en polen
De kleuters kunnen water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.
het water
het land
de polen
de wereldbol
de Noordpool
de Zuidpool
6 woordjes β
4.1.3
π
Relatieve ligging
De kleuters kennen begrippen rond relatieve ligging.
dichtbij
veraf
voor
achter
opzij
boven
+10
16 woordjes β
4.1.4
π
Absolute plaatsbepaling
De kleuters kennen straatnaam, huisnummer, Noord- en Zuidpool.
de straatnaam
het huisnummer
de Noordpool
de Zuidpool
4 woordjes β
Aardrijkskundige kennis
4.2.1
π
Kenmerken van de aarde
Begrippen rond de aarde en haar atmosfeer.
het land
het water
de lucht
de rots
de grot
het zand
6 woordjes β
4.2.2
π
Natuurlijk landschap
Natuurlijke aspecten van landschappen.
de berg
de heuvel
de vallei
de oceaan
de zee
de rivier
+8
14 woordjes β
4.2.3
π
Landschap door mensen
Infrastructuur en interactie met landschappen.
het huis
het appartement
de weg
de trein
de akker
de boerderij
+5
11 woordjes β
4.2.4
π
Het weer
Begrippen rond weersverschijnselen.
de temperatuur
de neerslag
de bewolking
de wind
4 woordjes β
4.2.5
π
Bewolking en neerslag
Relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven.
de wolk
de bewolking
de neerslag
de regen
4 woordjes β
4.2.6
π
De hemel
Aarde, maan, zon, sterren, dag en nacht.
de aarde
de maan
de zon
de sterren
de dag
de nacht
6 woordjes β
4.2.7
π
Ritme van de seizoenen
Seizoenen in de directe omgeving herkennen.
het seizoen
de lente
de zomer
de herfst
de winter
5 woordjes β
4.2.8
π
De aarde draait
Beweging van de aarde om haar as tonen.
de aarde
de as
draaien
de wereldbol
dag en nacht
5 woordjes β
Vaardigheden, onderzoek en denken
4.3.1
π
Een ruimte beschrijven
Ruimtelijke indeling van kamer/buitenruimte beschrijven.
de kamer
de buitenruimte
de plaats
voor
achter
naast
6 woordjes β
4.3.2
π
Ruimte tekenen
Geobserveerde ruimte tekenen of schetsen.
de tekening
de schets
het plan
3 woordjes β
4.3.3
π
Soorten neerslag
Neerslagvorm observeren.
de regen
de sneeuw
de hagel
de mist
4 woordjes β
4.3.4
π
Ruimtelijk vraagstuk bespreken
Actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken.
het gevolg
ruimte maken
dichterbij
verder
nuttig
veilig
6 woordjes β
4.3.5
π
IdeeΓ«n voor ruimte-problemen
IdeeΓ«n genereren voor ruimtelijke problemen.
dichterbij
verder
hoger
lager
de oplossing
5 woordjes β
πΊ
Geschiedenis
Kennis van het verleden
5.1.1
πΊ
Prehistorie
Hoe mensen tijdens de prehistorie leefden.
het vuur
jagen
voedsel verzamelen
het werktuig
de grotschildering
de stam
+6
12 woordjes β
5.1.2
πΊ
Oudheid (Egypte)
Hoe mensen tijdens de oudheid leefden in Egypte.
de hiΓ«rogliefen
de papyrus
de Steen van Rosetta
de piramide
de Nijl
de overstroming
+3
9 woordjes β
5.1.3
πΊ
Hedendaagse tijd
Hoe mensen in hedendaagse tijd samenleefden.
het straatbeeld
het interieur
de technologie
de radio
de tv
de computer
+4
10 woordjes β
Kennis van geschiedenis
5.2.1
πΊ
Bronnen benoemen
Soorten bronnen benoemen.
het beenderen
het fossiel
het werktuig
de rotsschildering
het graf
het standbeeld
+3
9 woordjes β
5.2.2
πΊ
Veranderingen benoemen
Veranderingen tussen verleden en heden opnoemen.
vroeger
nu
veranderd
hetzelfde gebleven
4 woordjes β
5.2.3
πΊ
Tijdlijn-woorden
Tijdlijn-begrippen kennen.
heel lang geleden
lang geleden
nu
later
oud
nieuw
6 woordjes β
5.2.4
πΊ
Chronologisch ordenen
Gebeurtenissen chronologisch ordenen.
eerst
dan
daarna
de volgorde
4 woordjes β
5.2.5
πΊ
Bronnen ordenen
Drie bronnen chronologisch ordenen.
heel lang geleden
lang geleden
nu
3 woordjes β
Reflectie en dialoog
5.3.1
πΊ
Samen beslissen
Mening, overleg, stemmen.
de mening
het overleg
stemmen
de meerderheid
de minderheid
5 woordjes β
5.3.2
πΊ
Waarom bewaren?
Weten waarom iets bewaard wordt.
bewaren
de schoonheid
het belang
de herinnering
de persoonlijke band
5 woordjes β
5.3.3
πΊ
Sporen herkennen
Sporen van het verleden herkennen.
het spoor
het verleden
oud gebouw
oud voorwerp
4 woordjes β
π¬
Wetenschap en techniek
Organismen
3.1.1
π¬
Organismen indelen
Begrippen rond organismen.
de fauna
de zoogdieren
de vogels
de vissen
de insecten
de flora
+2
8 woordjes β
3.1.2
π¬
Organismen beschrijven
Organismen beschrijven op kenmerken.
de ledematen
het hoofd
het lichaam
de huid
de wortel
de stengel
+7
13 woordjes β
3.1.3
π¬
Levenscyclus
Begrippen levenscyclus.
geboren worden
kiemen
groeien
sterven
4 woordjes β
3.1.4
π¬
Fasen van het leven
Fasen van de levenscyclus kennen.
de zwangerschap
de baby
de peuter
de kleuter
het kind
de tiener
+3
9 woordjes β
Organismen in een biotoop
3.2.1
π¬
Eten en gegeten worden
Principe van eten en gegeten worden.
eten
gegeten worden
de prooi
het roofdier
de voedselketen
5 woordjes β
3.2.2
π¬
Voedingsmiddelen
Verschillende voedingsmiddelen kennen.
het fruit
de groente
het brood
de melk
het vlees
de vis
+1
7 woordjes β
3.2.3
π¬
Eten om te groeien
Weten dat je eet om te groeien en bewegen.
eten
drinken
groeien
bewegen
de energie
5 woordjes β
3.2.4
π¬
Honger en dorst
Aangeven eten bij honger, drinken bij dorst.
de honger
de dorst
eten
drinken
4 woordjes β
Menselijk lichaam
3.3.1
π¬
Lichaam en zintuigen
Fysieke functies van de mens.
de spieren
de botten
de longen
het hart
de maag
de ogen
+4
10 woordjes β
3.3.2
π¬
Lichaamsdelen en functie
Lichaamsdelen en hun functie.
de spieren
de botten
de longen
het hart
de maag
de ogen
+4
10 woordjes β
3.3.3
π¬
Aanduiden op je lichaam
Lichaamsdelen aanduiden en benoemen.
aanwijzen
benoemen
de lichaamsdelen
3 woordjes β
Eigenschappen van materie
3.4.1
π¬
Materie sorteren
Materie sorteren op waarneembare eigenschappen.
het hout
de steen
het zand
het papier
de stof
het glas
6 woordjes β
Natuurkundige verschijnselen
3.5.1
π¬
Natuurkundige verschijnselen
Begrippen natuurkundige verschijnselen.
de zon
de lamp
het licht
donker
de schaduw
de spiegel
+4
10 woordjes β
3.5.2
π¬
Licht
Lichtbron en reflectie kennen.
het licht
de lichtbron
de reflectie
3 woordjes β
3.5.3
π¬
Geluid
Hard en zacht geluid.
het geluid
hard
zacht
3 woordjes β
3.5.4
π¬
Magnetisme
Magnetisme kennen.
de magneet
aantrekken
afstoten
3 woordjes β
3.5.5
π¬
Magnetisch of niet
Magnetische en niet-magnetische materialen.
magnetisch
niet-magnetisch
het ijzer
3 woordjes β
Wetenschappelijk & technologisch denken
3.6.1
π¬
Oorzaak en gevolg
Relatie oorzaak-gevolg.
de oorzaak
het gevolg
omdat
daardoor
4 woordjes β
3.6.2
π¬
Redeneren met woorden
Woordenschat inzetten om te redeneren.
de vraag
omdat
ik denk dat
3 woordjes β
3.6.3
π¬
Voorwerpen hebben een functie
Voorwerpen zijn ontworpen om iets op te lossen.
het voorwerp
de functie
ontworpen
het probleem
4 woordjes β
Technologie
3.7.1
π¬
Technische systemen gebruiken
Leeftijdsadequate technische systemen veilig gebruiken.
het technisch systeem
correct
veilig
schaar
rits
kraan
6 woordjes β